De Wener Hoogvlieger

De Wener Hoogvlieger, Duiven met een mooie vliegstijl
De Hoogvliegsport
Hoe begint men met het kweken van Wener Hoogvliegers
Ervaringen van een Hollander met Wener Hoogvliegers




De Wener Hoogvlieger, Duiven met een mooie vliegstijl


Hans Joachim Arnold
Uit: Der Taubenfreund nr. 17/1996
Bewerking: H.J. Beekveldt.

Herkomst van het ras
Enthousiastelingen lieten hun fantasie de vrije loop en vertelden over dit ras dat de Romeinen het destijds al naar Vindobona (de Latijnse benaming voor Wenen) hadden gebracht.Nu was het toenmalige Romeinse rijk beslist wel groot te noemen maar hun macht strekte toch niet uit tot het oorspronkelijke vaderland van de tuimelaars, namelijk Perzië en Indië.Anderen weten te vertellen dat de Turken de Wener tuimelaar in Oostenrijk en met name naar Wenen hadden gebracht. De Turken zijn echter nooit in Wenen geweest want de belegering door de Turken in 1683 bleef zonder resultaat. Dat lukte namelijk niet. Ze werden door een gezamenlijk Duits / Pools leger teruggeslagen. Hierdoor werden zij uiteindelijk uit Zuidoost Europa verdreven. Ongeveer 300 jaar lang beheersten de Turken wel de Balkan-landen en daar is geen enkele duif te vinden die iets met de Wener te maken heeft.
Oostenrijk beschikte in de periode 1282 tot 1918 over de belangrijkste havenstad Triëst.Het is niet ondenkbaar dat langs deze weg de oorspronkelijke duiven, waaruit de Weners dus zijn ontstaan, via de scheepvaart, zoals dat met zoveel andere tuimelaarsrassen het geval was, Midden- en West-Europa binnen zijn gekomen.Deze veronderstelling wordt bevestigd door het feit dat in 1887 een Oostenrijkse scheeparts, Dr. Binder, een paar duiven uit Calcutta meebracht, die sterk leken op de duiven die we tegenwoordig kennen als lichtgestorkte Weners.In Wenen ontstonden niet alleen de tegenwoordig bekende Wener Hoogvliegers, maar nog vele andere tuimelaarsrassen. Kortsnaveligen in vele kleurslagen, o.a. de bekende kievit, maar ook diverse halflangsnaveligen. Duiven van dit type waren al vrij snel ook te vinden in diverse met Oostenrijk verbonden steden zoals Boedapest, Praag, Presburg en Breslau.

De eerste verenigingen
Slechts korte tijd later, zo omstreeks 1700, kwamen de Weense duivenhouders al bij elkaar, waardoor een vorm van verenigingsleven ontstond. Op de zesde januari van het jaar 1856 werd er voor het eerst een show gehouden met Weense tuimelaars, georganiseerd door een aantal liefhebbers. Zo’n twintig jaar later werd er een grote vereniging van pluimvee opgericht en in 1881 richtten de Wener tuimelaar fokkers een eigen rasvereniging op! Een fokkersdag in 1869 in Dresden had tot doel eenheid te scheppen in de diverse rasbeschrijvingen. Alle duiven die tijdens het vliegen een speciale eigenschap lieten zien, zoals het tuimelen, werden samengebracht onder de noemer Tuimelaar.De Wener liefhebbers maakten bij hun duiven onderscheid tussen “hoogschedelige kortsnavels” en “vlakschedelige halflangsnaveligen”. De laatste werden Burzeln genoemd. In het begin lieten alle liefhebbers hun duiven in vrije uitvlucht, ook de kortbekken! Omstreeks 1850 waren onder de vliegers de blauwe kieviten ruimschoots in de meerderheid. Over het algemeen vlogen de kortbekken toch minder goed en in de loop der tijd ontwikkelde deze soort zich tot pure tentoonstellingsvogel.De midsnaveligen gingen in vliegstijl steeds beter presteren en die capaciteit werd door gerichte fok en goede selectie steeds meer verbeterd. Als eerste punt van verbetering werden alle tuimelende dieren eruit geselecteerd. In kleur en tekening waren er in dit type nog te vinden: licht- en donker gestorkten, gestorkte helmen, witschilden, en roeken in wit, rood, geel, zwart en blauw alsmede witpennen in deze kleurslagen. Tenslotte kwamen er nog kievitgetekenden en strassergetekenden voor.De roodgevlekte, de wilde en de schimmels werden toen nog beschouwd als niet zuiver verervende “fouten”. Woordelijk citeer ik hier wat Franz Panek in 1926 hierover schreef: “Het is karakteristiek dat de liefhebbers van Wener tuimelaars zich onderscheiden in drie groepen. De eerste houdt zich alleen maar bezig met de zuivere rassenkweek. Dat zijn de echte idealisten. Hun ideaal ligt in de fokkerij. Zij laten hun duiven zelden los en houden bij voorkeur in volières. De tweede groep houdt de duiven voor de (hoog)vliegsport, maar let daarbij toch ook op de raszuiverheid. Helaas is hun aantal zeer beperkt. De derde groep duivenliefhebbers bestaat uit mensen die lijden aan gebrek aan goede smaak. Alles wat vleugels heeft houden ze, als het maar hoog vliegt en raszuiverheid is voor hen slechts bijzaak. Ze hebben ertoe bijgedragen dat menig ras in Wenen uitgestorven is. De eerste groep kon het met de laatste groep in het geheel niet vinden en als de gelegenheid zich voordeed stonden ze dan ook fel tegenover elkaar en gooiden elkaar alle mogelijke spot- en scheldwoorden naar het hoofd. Franz Panek spreekt dan ook de waarschuwing uit: “Als deze verschillende Wener Hoogvlieger fokkers het niet met elkaar eens kunnen worden zal men over een tiental jaren kunnen zeggen: De Wener Hoogvlieger? Das war einmal.”

Vliegen tot in de wolken
Het oudste bericht over hoogvliegende duiven in Wenen dateert uit 1762. Er waren in de Dominikanermolen duiven te zien die zo hoog vlogen dat ze tot in de wolken gingen. Er is daarbij ook sprake van een liefhebber in Wenen, een zekere Jermann, die in het begin van de 18de eeuw een soort gebruiksaanwijzing over dit soort duiven had gemaakt. Rond 1850 had de hoogvliegsport in Wenen met ongeveer 250 liefhebbers wel zijn hoogtepunt bereikt. In die tijd werden de licht- en donkergestorkten zonder meer als de beste vliegers beschouwd. Toch waren er nog kieviten, blauwen en blauwge-eksterden die in het begin met de gestorkten konden concurreren. Maar daar bleef het niet bij. De basis van de goede vliegduiven was nog te smal en het onderscheid tussen vliegduiven en showduiven werd steeds helderder. Met duiven die voor wat betreft schedelvorm duidelijk een tussenvorm te zien gaven tussen vlieg- en showduiven werd niet als vliegduif verder gefokt. Dat waren o.a. de witschilden, de kieviten en de eenkleurige witpennen. Het is onbegrijpelijk wie voor deze duiven de benaming “Oud-Oostenrijkse tuimelaar” heeft uitgevonden. Ze waren er niet eerder dan de anderen, en ook niet later. Ook voor de licht- en donkergestorkten ontstond er een standaard. Hiermee werd ook voor deze soort een duidelijk onderscheid aangegeven tegenover de showrassen. De donkergestorkte schijnt als zuivere vliegstam niet meer te bestaan. Dat is zeer bedenkelijk want H. Zaoralek beschreef deze variant in 1905 nog als de allerbeste vlieger van Wenen, hoewel hij bekend stond als zeer nerveus en schrikachtig. Men onderscheidde ze in twee groepen en wel de violette en de groenen. De witgestorkten zijn in wezen meestal niet helderwit. Ze hebben vaak kleuring in de hals en als die kleuring sterk is en een duidelijke aftekening bezit wordt hier gesproken van “kranshalzig.” Onder de eenkleurigen zijn het op dit moment voornamelijk de blauwen die het beste presteren. Echte raszuivere rood- en zwartroeken zijn vrij zeldzaam. En tot slot, de zgn. “schimmels” ontstaan door kruisingen tussen lichtgestorkten en blauwen.

Geen duurvliegers
De Wener Hoogvlieger is in Duitsland de bekendste en meest gehouden hoogvliegduif. Dit is geen modeverschijnsel maar berust puur op de bijzondere vliegprestaties van dit ras. De vliegstijl is bijzonder; ze vliegen met veel temperament en kunnen na het loslaten enorm snel aan hoogte winnen. Dit snelle stijgen gaat gepaard met snelle wendingen, kantelingen om de lengteas en het beschrijven van achtvormige kringen. De dieren vliegen en vlogen altijd nooit meer dan twee tot twee-en-een-half uur. Voor haviken en valken waren ze niet bevreesd, want die kunnen deze snelle wendbare vliegers vrijwel niet te pakken krijgen. Franz Panel schreef destijds al: “Goede hoogvliegers zijn geen duurvliegers en echte duurvliegers beantwoorden niet aan de vliegstijl van de hoogvliegers.” Beide vormen van vliegen gaan n.l. absoluut niet samen. Helaas hebben de laatste tientallen jaren veel fokkers in Duitsland zich niet aan deze uitspraak gehouden. De duiven zouden toch langer moeten kunnen vliegen, gecombineerd met een langer durende hoogvlucht. Er werden dus vliegtipplers en Boedapesters ingekruist. Het is duidelijk dat door deze gang van zaken het beoordelen en de puntentelling bij wedstrijden een zeer ingewikkelde materie is geworden. Hierdoor kan het voorkomen dat eigenaren van (zgn.) Wener Hoogvliegers op hun wedstrijdformulieren vliegtijden tot meer dan 8 uren konden vermelden. Dit heeft helemaal niet te maken met de vliegstijl van de klassieke Wener Hoogvlieger. Al deze activiteiten geven natuurlijk aanleiding tot de vraag: bestaan er eigenlijk nog wel echte Weners? Die zijn er wel en het lijkt ons een goede zaak dat bij het beoordelen van echte Weners, die er natuurlijk zeker nog zijn, een andere benadering zal worden gehandhaafd. Het voorstel is de vliegtijd te begrenzen tot twee uren. Daarbij zullen ook punten moeten worden gegeven voor stijl. De VFHR heeft een eerste schrede gezet door de tijdsbegrenzing te stellen op vier uur, maar het is duidelijk dat de wijsheid hierbij nog niet het laatste woord heeft gehad. Het is eveneens van belang nog eens vast te stellen hoe een echte Wener Hoogvlieger er uit hoort te zien, nl. minder dan middelgroot, afhellende houding, matig vlakke schedel, met een duidelijk zichtbare afplatting bovenop. Ondanks de verwantschap bestaat er wel degelijk onderscheid tussen de Wener en de Boedapester. De laatste is minstens middelgroot en heeft een rechte, dus horizontale stand. De schedel is niet vlak maar rond en eventuele afplatting is vrijwel nihil. Het blijft dus te hopen dat na jaren zal mogen blijken dat de echte Wener Hoogvlieger met zijn sublieme vliegstijl nog steeds bestaat.



De Hoogvliegsport.
U zult ongetwijfeld inmiddels hebben ervaren dat een artikel over hoogvliegen, geschreven door Herman Beekveldt, meestal gaat over de Wener Hoogvlieger. Ik ken dit ras inmiddels ruim 25 jaar, dat is dus niet zo verbazingwekkend. Er zijn binnen de vereniging veel liefhebbers die hoogvliegers hebben. Ik geloof zelfs dat die in de meerderheid zijn, maar dat weet ik niet zeker.Van diverse kanten hoor ik desondanks, dat er meer geschreven wordt over stijlvliegers en rollers. Ik vroeg mij af hoe dat zou komen. Als je rollers, van welke variant dan ook, op het hok hebt, kun je snel zien of je goede dieren hebt. Ze rollen of ze rollen niet. Misschien is dat wat kort door de bocht, want er is natuurlijk met training, voeding enz. veel aan de prestaties te verbeteren. Maar als iemand duiven heeft die inderdaad rollen, is hij misschien al gauw tevreden. En daar is natuurlijk niks mis mee! Ik denk dat dit met hoogvliegers anders ligt. Heb je rollers die misschien een half uur vliegen op geringe hoogte en tijdens die vlucht hun naam eer aan doen, dan mag je ook tevreden zijn. Maar Hoogvliegers die een half uur of misschien een uur vliegen, maar verder niet omhoog te branden zijn, stellen ronduit teleur. Maar hoe gaat het in de praktijk. De laatste decennia komen steeds meer mensen terug van het fokken van duiven voor de shows. Zij willen weer vrij vliegende duiven hebben. Ook veel postduivenliefhebbers stoppen met hun sport, maar willen wel duiven blijven houden en zoeken dan naar rassen die toch leuk vliegen. Zo komen ze dan bij voorbeeld terecht bij deze vereniging en via beschikbare literatuur proberen ze zoveel mogelijk te weten te komen over het ras van hun keuze. Een van de belangrijkste doelen van een club als de onze is dan ook zoveel mogelijk lees- en leermateriaal te verzamelen voor onze leden. Nu is ons land en dientengevolge ons taalgebied niet groot genoeg en voor de meeste informatie zijn wij aangewezen op wat er in landen met een groter taalgebied over duiven te vinden is. Wij moeten dan teruggrijpen op Duits of Engels. Een bijkomend aspect hierbij is dat we niet alleen te maken hebben met een andere taal, maar - en dat is eigenlijk het meest belangrijke - ook met een andere cultuur, mentaliteit en belevingswereld.

Verschillen in benadering
Wij lezen veel Duitse artikelen. Wij weten inmiddels dat de Duitse duivenliefhebbers en vooral de mensen die regelmatig in de diverse bladen schrijven een heel andere beeldtaal gebruiken dan de wat nuchterder Hollander. Wij vinden die Duitse teksten vaak wat hoog-dravend en overdreven, soms zelfs pathetisch. Dat is hun goed recht. Zo voelen en denken zij over hun sport. Zij hebben ook de drang om hun enthousiasme over hun duiven naar buiten te bren-gen en dat doen zij dan door met hun duiven te vliegen in compe-titieverband. En hiermee ben ik weer terug bij de Hoogvliegsport. Wij doen niet zo veel aan wedstrijdvliegen of in ieder geval op een veel lager niveau. Wij zijn op dat gebied niet zo fanatiek als de Duitsers. Dat hoor je vaak tijdens gesprekken over dit onderwerp op een clubdag of anderszins in gesprekken met liefhebbers. Dit verschil in omgang met duiven komt natuurlijk ook tot uiting in de verzorging en de manier van omgaan met de duiven en het is niet onmogelijk dat nieuwe liefhebbers die Duitse teksten of vertalingen daarvan lezen op het verkeerde been worden gezet.
Als voorbeeld zal ik hier een vertaling laten zien van een Duitse tekst van een in Duitsland zeer bekende hoogvliegerfokker en auteur. Het is Günther Andreas. Hij heeft ook een boekje geschreven over de Wener Hoogvlieger, welk boekje in vertaling bij de club te koop is (of was). Daarna zal ik als Wener liefhebber mijn ervaringen zetten, uitgaande van onze Nederlandse manier van het houden van dit soort duiven, zonder in een oordeel te vervallen dat het één ‘beter’ of ‘slechter’ zou zijn dan het ander. Gewoon verschillen in benadering en uit-gaande van een ander doel en een andere manier van beleving. En wel het houden van Hoogvliegers om daar in de zomer tijdens een wedstrijd hoge ogen mee te kunnen gooien (de Duitse variant) én het houden van Hoogvliegers gewoon voor het simpele plezier van het hoogvliegen (de Hollandse variant).

Hoe begint men met het kweken van Wener Hoogvliegers
G. Andreas, vert. H.J.Beekveldt
Uit: Geflügel-Börse 2/2000.

Deze vraag wordt vaak door beginners gesteld. Wij raden aan om in het najaar goed vliegende duiven aan te schaffen bij bekende kwekers. Omdat de Weners troepvliegers zijn, die men niet in kleinere troepen dan 12 dieren moet laten vliegen, zal men met minstens 7 tot 10 kweekkoppels moeten beginnen, om ten minste per kweekronde te kunnen beschikken over een 12 tot 15 jonge duiven, die gezamenlijk zullen moeten worden getraind. Het beste is uit te gaan van twee tot drie kweekronden. Als we er voor zorgen dat die jonge dieren niet aan elkaar verwant zijn, kunnen deze in de toekomst aan elkaar worden gekoppeld. Het is dus aan te bevelen uw eerste duiven te halen bij diverse liefhebbers die gelijkaardige kweeklijnen hebben. De kleur speelt geen directe rol, daar men op de eerste plaats moet letten op vliegvermogen en vliegstijl.

Drie ronden fokken
De meeste Wener Hoogvliegers zijn lichtgestorkt, donkergestorkt, schimmel of blauw. De kleurslagen rood, roodgestorkt of zwart komen veel minder voor. Ik geef de voorkeur aan het beginnen met oude duiven en zelf jongen te kweken. Rond 20-25 februari, afhankelijk van het weer, zet ik mijn kwekers bij elkaar en met een dag of tien worden de eerste eieren gelegd.
Het beste is twee of drie ronden te fokken, zodat elke ronde, die van vrijwel gelijke leeftijd is, apart wordt opgekweekt en getraind en vanuit een eigen vlieghok word gevlogen. De groepen blijven dus gescheiden.

Het vlieghok
Een vlieghok voor ca. 25 duiven hoeft niet groot te zijn. Omdat ze relatief dicht op elkaar leven, zullen de duiven naar mijn ervaring beter en makkelijker met elkaar vliegen. (Maten van het vlieghok; 1 meter breed, 2 meter diep en stahoogte.)
Heeft men bij het uitwennen van een ploeg wat verliezen geleden dan kan altijd een derde ronde worden gefokt. Het is niet aan te raden jongen van de ene ronde samen te laten vliegen met een andere ronde, daar de meer ervaren en de minder ervaren jongen elkaar wellicht beïnvloeden. Het kan zijn dat de jongere dieren eerder naar beneden komen en daarbij de ouderen meenemen en zodoende de vliegduur verkorten.

Voeren
Ik laat de diverse groepen tot de herfst apart vliegen, d.w.z. het hele vliegseizoen, tenzij de resultaten zo slecht zijn dat ze opgeruimd moeten worden, maar dat komt gelukkig niet vaak voor. Voor het uitwennen moet men de nodige tijd nemen. In de vierde week worden de jongen, zodra het verenkleed onder de vleugels gesloten is, apart gezet om ze zelfstandig te leren eten en drinken. Als dit na een dag of drie het geval is, worden ze in een uitwenkooi buiten gezet om de omgeving in zich op te nemen. Ze moeten dan niet te veel voer krijgen, want men moet ze nu wennen om door honger gedreven het hok binnen te vallen. In die periode geef ik als rantsoen de helft mengvoeder en de helft gerst. Op de dag dat de dieren voor het eerst los buiten worden gelaten moeten ze wat hongerig zijn. Hierdoor zullen ze na het vliegen snel binnen komen. Dat zal de eerste dagen niet direct lukken, maar met drie of vier dagen zeker wel. Deze oefening zal regelmatig moeten worden herhaald, want dat is de belangrijkste les die de jonge dieren moeten leren. Ze zijn het meest leergierig als ze de eerste slag-pennen wisselen. Alles wat ze in die periode leren zullen ze niet snel vergeten. Voor het binnenvallen is bij de Wener dus geen dropper nodig, zoals bijvoorbeeld bij Tipplers.

Uitwennen
Bij het uitwennen moet men wat geduld betrachten als ze niet direct de lucht ingaan. In ieder geval mag u ze nooit opjagen. Ze zullen dan heel gemakkelijk schuw worden, in plaats van kalm en vertrouwelijk.
In het beginnen zullen ze wat rommelig door elkaar vliegen, maar na een paar dagen zal het vliegen in een troep steeds beter gaan. De volgende fase is het trekken. Voor het ontwikkelen van hun oriënteringsvermogen is dat erg belangrijk, want ze zullen zo de omgeving goed leren kennen. Het kan voor komen dat ze bijv. in zuidelijke richting verdwijnen, om dan plotseling vanuit het noorden of het westen weer te voorschijn te komen. Hoe verder de dieren in dit stadium gaan hoe beter. Raken ze in de toekomst eens de troep kwijt door bijv. een roofvogelaanval, dan zullen ze het hok meestal weer terugvinden.

Vliegen
Als deze fase afgesloten is zullen de dieren regelmatig wat hoger gaan vliegen, wat in het begin niet erg lang zal duren. Vliegen de duiven regelmatig anderhalf tot twee uur dan wordt in het vervolg slechts één maal per dag gevoerd. Een hongerige Wener vliegt niet, maar er mag geen voer in het hok achterblijven. Bij binnenkomst wordt wat snoepzaad in de vorm van wat kleine oliehoudende zaden gegeven. Hier zullen ze snel aan wennen. Het is van belang om heel rustig met de dieren om te gaan, zodat ze kalm en vertrouwelijk worden. Ik neem mijn jonge dieren vaak in de hand. Ook hieraan wennen ze snel en ze hebben voor mij dan ook geen angst. Ik kan op deze manier ook gemakkelijk controleren hoe hun conditie is. Op deze manier zullen ze ook later als ze in de kweek zitten niet angstig van het nest vluchten, waarbij er eieren zouden kunnen sneuvelen. Na 16 tot 20 weken zijn de dieren volledig vliegvaardig en kunnen ze volwaardig presteren. Nu kan men er aan denken om ze voor te bereiden op hun eerste wedvluchten. Hiervoor zal het voermengsel doeltreffend samengesteld moeten zijn. Na de broedtijd laat ik mijn kwekers vrij vliegen. Als ze in conditie zijn doe ik een paar oudere duivinnen bij de jonge vliegploeg om de vliegtijden te verbeteren. Daarna begint de rui en worden de geslachten gescheiden. Tot ver in de herfst vliegen zij apart, voor zover het weer het toelaat. Na eind oktober blijven ze binnen. Ook de jonge dieren blijven binnen en ook daar worden de geslachten gescheiden. Dat zal een vlotte koppeling in het volgende voorjaar een stuk gemakkelijker maken.


Ervaringen van een Hollander met Wener Hoogvliegers
H.J. Beekveldt
Son en Breugel, nov. 2003

Zoals uit de tekst van Andreas blijkt, gaat hij er van uit dat er met Wener hoogvliegers wordt begonnen met het doel om daar wedstrijden mee te vliegen. In dat geval is de aanbevolen methode om met veel kweekkoppels te beginnen begrijpelijk. Dat uitgangspunt is bij de Hollandse liefhebbers niet zo specifiek aanwezig. De meeste willen gewoon goed vliegende hoogvliegers hebben. Hier zal ook vaak de kwestie huisvesting een woordje meespreken. Als je weinig ruimte hebt bouw je niet direct een aantal hokken voor diverse vliegtroepen.

Vliegen vanuit een kleine tuin
Mijn eigen woonsituatie is zodanig dat ik beschik over een kleine tuin van ca. 50 m2. Toen ik hier begon had ik een klein hok waarin ik 6 kweekkoppels kwijt kon. Ik begon toen met overjarige duiven waar ik mee kweekte. Ik kweekte een ronde van 8 jongen en vervolgens een ronde van 10. Hiervoor had ik een vlieghokje van 140 cm. breed en 150 cm diep, met stahoogte. De eerste acht dieren werden uitgewend. Zonder verliezen. De tweede ronde jongen werd zonder meer in hetzelfde hok ondergebracht en dat ging zonder problemen. Na zeer korte tijd vlogen ze alle 18 in een goede troep. Wel signaleerde ik evenals Andreas dat een groep jonge dieren heel ver kan wegtrekken. Ik ben het met hem eens dat dit hun kennis van de omgeving ten goede komt. Omdat ik het goed vliegende duiven niet wil aandoen om de rest van hun leven vast te zitten, heb ik ook de oude kwekers uitgewend. Dat wil zeggen, ik heb ze gewoon los gelaten. Ik raakte toen vier dieren kwijt. Er bleven drie duivinnen en drie doffers. De doffers liet ik in het kweekhok en ze vlogen van daar uit regelmatig. Louter en alleen voor hun eigen plezier en om hun conditie op peil te houden. De oude duivinnen deed ik bij de jongen in het vlieghok en daar zaten nu dus 21 duiven in. Dat ging goed. Met die ploeg heb ik het hele jaar gevlogen. Ze vlogen hoog, minimaal twee uur. Op mooie dagen vier uur.

Vliegstijl
De stijl van vliegen, zoals die in de vele teksten die over dit ras bekend zijn wordt beschreven is sterk afhankelijk van het weer. Bij mooi weer gaan ze uit zicht en zijn dan heel lang onzichtbaar. Bij minder mooi weer met wind en soms met regen vliegen ze ook wel hoog, niet zo lang, maar wel op een heel speelse manier en het zijn dan echt de Weners uit de boeken. Mede door de kleine behuizing laat ik ze, als het weer het toelaat, tot ver in de winter vliegen. Voornamelijk voor de conditie.
In tegenstelling tot Andreas, die dus elk jaar een nieuwe jonge vliegploeg kweekt, heb ik mijn Weners alleen voor het vliegen, zonder dat in competitieverband te willen bewijzen. Hoe ging het dus verder.

Kweekkoppels samenstellen
Het daaropvolgende jaar heb ik enkele kweekkoppels samengesteld uit zelf gekweekte jonge dieren en enige overjarige kwekers. Wel had ik in de loop van het jaar streng geselecteerd op type en karakter. Weer gezien de geringe ruimte die ik heb gaat elke macho doffer en bazige duivin weg!! Gezien de grootte van de hokken moet alles pais en vree zijn en moeten de duiven goed met elkaar omgaan. Hierbij kom ik even aan een heel vervelend punt van onze liefhebberij. Het ruimen. Het heeft geen zin om andere mensen op te zadelen met duiven die ik zelf niet geschikt vind. Hoe mooi ook; voor hen is het einde verhaal. Ik dood ze snel en naar ik hoop pijnloos. Het is niet leuk maar het is niet anders. We moeten hier in de plaats treden van de natuur. Die selecteert ook en dat gaat ook niet altijd even zachtzinnig. Maar goed, dit even terzijde. Terug naar de overlevenden.
Ik koppel het liefst oude duivinnen aan jonge doffers. Weer omdat ik weinig ruimte heb, kweek ik maar weinig dieren. Ik hou dus constant de beschikking over een vliegploeg van overjarige duivinnen. Elke duivin kweekt één ronde met een bepaalde doffer en dan gaat die duivin terug in de vliegploeg. Eventueel kan dan een andere duivin aan de beurt komen. Hierdoor heb ik duiven die niet direct verwant zijn, maar toch een groot aantal eigenschappen gezamenlijk hebben zodat er altijd keuze genoeg is. In de praktijk is het zo dat de op deze manier geweekte jongen zonder problemen onderling gekop-peld kunnen worden. Ze kunnen dus zonder gevaar hun eigen partner uitzoeken. Dat hoeft de baas dus niet voor ze te doen Uit de praktijk blijkt dit heel goed te werken. Er ontstaan zeer trouwe koppels want let wel; het zijn soms net mensen met hun sym-pathieën en antipathieën.

Van kweekhok naar vlieghok
Het terugzetten van de duivinnen vanuit het kweekhok naar het vlieghok gaat zonder problemen. Ook de nieuwe jonge duiven gaan gewoon bij de vliegploeg. In het decembernummer van vorig jaar heb ik beschreven hoe dat in zijn werk ging. De jonge dieren weten heel goed waartoe ze in staat zijn en op een gegeven moment gaan ze met de oude vliegploeg mee en vliegen, landen en komen binnen zonder problemen. Ook ik verstrek na het binnenkomen altijd voer. Als ze vroeg zijn losgelaten (want ik hou mij niet aan vaste tijden) en ze komen vroeg in de middag binnen, dan krijgen ze wat olierijke kleine zaden (snoepzaad). Zijn ze later gestart en komen ze tegen de avond binnen dan krijgen ze hun normale rantsoen. De kwekers krijgen een goed kweekmengsel met de nodige eiwitten die voor een goede ontwikkeling van de jonge dieren noodzakelijk zijn. De vliegers.krijgen een speciaal vliegmengsel, zonder eiwitten, omdat overtollige eiwitten die niet worden gebruikt een extra belasting voor de lever vormen. Maar met voldoende oliën en vetten als brandstof voor het spierstelsel voor de vliegerij.

Karakter van de duif
De laatste jaren heb gemerkt hoe belangrijk een strenge selectie op karakter is. Natuurlijk worden ze als jonge dieren al beoordeeld op vliegprestatie. Het gaat dan echter nog om jonge dieren. Bij het volwassen worden ontwikkeld zich ook het karakter en zoals ik al eerder zei; ik wil in mijn hokken rust en verdraagzaamheid. Gelukkig heb ik ook een stam blauwe Weners die een uitermate prettig karakter hebben. Als ik zie hoe de vliegtroep in harmonie leeft, weet ik dat selectie op dit gebied zin heeft. Ook is het belangrijk dat de dieren zich in het hok prettig en veilig weten. Ik heb een ander vlieghok gebouwd met de vloer op tafelhoogte tot aan het golfplaatdak van de schuur. Het is 1 meter diep en 1.70 breed. Aan beide korte kanten is er een loketkast met 12 zitplekken. Ik kreeg kortgeleden 2 jonge duivinnen die een jonge duivenvriend in Eindhoven over had. Het was de bedoeling ze mee te nemen naar de clubdag maar dat was ik vergeten. Die twee dieren hadden bij hem al gevlogen, maar ik heb geen mogelijkheid om ze apart te houden of uit te wennen. Ik heb ze dus met een paar dagen maar los gelaten met de vliegploeg. Ze hadden nog nooit iets van de omgeving gezien, maar ze waren in die paar dagen al zo op hun gemak in hun nieuwe hok met deze bewoners, dat ze goed bij de ploeg bleven, 3 uur vlogen en zonder problemen binnen kwamen. Nu vliegen ze mee alsof ze hier geboren zijn.

Tot slot
Deze situatie wijkt duidelijk af van de door Andreas beschreven methode. Toch werkt de door mij beschreven omgang met dit ras voor mijn plezierbeleving naar volle tevredenheid. Er zijn dus kennelijk meerdere wegen die naar Rome leiden.


updated: 09/10/11