De Stralsunder hoogvlieger
 

 

Inleiding

De Stralsunder hoogvlieger is een witte, middelgrote duif. De hals en onbevederde loopbenen zijn slank en lang en de lichaamsbouw is hooggestrekt en hoekig. Het ras heeft een markante kop met lang gezicht, lange wit-rose snavel en bloedrode oogranden rond de heldere parelogen. Kop en snavel, romp en staart worden horizontaal gedragen, hals wordt verticaal verlangd.

Omstreeks 1900 was het een zeer populair hoogvlieg ras in Duitsland. Het werd in die tijd vaak geroemd om zijn goede vliegeigenschappen en slechts gehouden om mee te vliegen.

De vliegduiven liefhebbers genoten van de hoogvlucht met de voor het ras kenmerkende temperamentvolle vliegstijl en stelden zich daarmee tevreden d.w.z. ze hadden geen behoefte een ander of fraaier uiterlijk of aan officiële vliegwedstrijden. Door het inkruisen van verschillende vliegrassen waren er destijds meerdere typen witte Stralsunders.

Na de Tweede Wereldoorlog waren er geen vliegbekwame Stralsunders meer. De weinige exemplaren die de oorlog hadden overleefd waren (vermoedelijk) showdieren.

 

In het laatste kwart van de 20e eeuw kwam - helaas in omvang zeer beperkt - de heropleving van de vlieg Stralsunder.

Fritz Kircheis in Wiesbaden (D.) is vanaf 1980 een belangrijke promotor van de vlieg Stralsunder geweest. Door jarenlange doelgerichte selectie op vliegprestatie en (naar ‘men’ zegt) inkruising van Weners, is hij erin geslaagd weer een vliegende stam op te bouwen. Het is zijn verdienste dat dit tot de Tweede Wereldoorlog geweldige vliegras weer in de (boven) lucht te zien is. In Duitsland nemen de Stralsunders weer met een redelijk goede vliegduur en vlieghoogte deel aan vliegwedstrijden.

In België houdt Carlo Verbist, uitsluitend voor de vliegsport, Stralsunders. Ik heb met hem contact opgenomen omdat ik van mening ben dat dit vroegere ‘renpaard van de lucht’ meer aandacht verdient dan het krijgt.

Hij heeft mij diverse door Helian Guislain (B.) vertaalde Duitse artikelen gestuurd. Met uitgebreid commentaar en diverse aanvullingen van Helian heb ik onderstaand algemeen artikel over de Stralsunder kunnen maken.

Carlo voegde onderstaande informatie toe:

Mijn stam vlieg Stralsunders heb ik 13 jaar geleden opgebouwd met duiven van dhr. Kroes (NL) en een restant van onbekende oorsprong uit Nederland. Twee jaar later aangevuld met duiven rechtstreeks van dhr. Kircheis (D.). Ik bekwam deze duiven via tussenkomst van Wilfried Beeckaert (schatbewaarder BRK ). Deze duiven vertoonden invloed van recente inkruising van Wener of Pesters daar ik een dobbelsteenvormig kopje zag, alsook restanten van donkere stippen.

Bevestiging van dat vermoeden kreeg ik niet van Wilfried, alhoewel hij bij dhr. Kircheis op het hok, bij zijn tweede bezoek Weners opmerkte.

Ik merk wel op dat de duiven die ik nu vlieg een uniform beeld hebben wat het voor mij ook niet makkelijk maakt ze individueel te herkennen en te selecteren.

Beste tijd voor 2007 was, 5.30 uur met een maximale hoogte van 200m.(over hoogtes wordt veel geredetwist, maar toch houd ik het daarop).

 

Betreft de stijl:

Het eerste uur vliegen ze geconcentreerd hoog (200m) in gesloten kitverband boven het hok.

Ze maken een acht-vorm, oploevend in de wind met een slangachtige beweging, dan niet al te breed uitzwenkend, alternerend links en rechts.

Kitvorming is op dat moment zeer sterk; bij goede conditie laten ze zich vallen “als blaadjes van de bomen”. Onmiddellijk wordt er weer opgestegen.

 

Vanaf het tweede uur vertonen ze meer de neiging op één lijn te willen vliegen; de zenuwachtige vlieglust neemt langzaam af.

Bij het nemen van de bochten gaan ze iets breder en een beetje zweven.

 

De laatste periode van de vlucht vliegen ze “ruim”, beetje postduiven stijl.

Landen op het dak betekent bij goede vorm  onmiddellijk binnengaan.

 

Mijn duiven zijn gevoelig voor de wind (ik woon vrij open) wat betekent dat ze bij veel wind gaan tollen (korte verticale cirkels draaien).

Het verschijnen van een roofvogel beïnvloedt positief het “plafond”, de hoogte dus.

Steeds weer proberen ze boven de valk te vliegen.

Ik maak mijn beste prestaties steeds in de maand december; ik heb de indruk dat de duiven positief reageren op die lichte vrieslucht.

Bij terugkeer op het hok zijn de “neuzen” van de duiven vuurrood. Ik bedoel net onder de “washuid”.

 

Nog enkele opmerkingen:

In het adulte (volwassen) verenkleed blijven er soms restanten van rood, eerder roestkleurige spatten over.

Een tiental jaar geleden had ik duidelijk betere plafonds; het kit werd ondersteund door een drietal Pesters in de zomer. Was het nu enkel de aanwezigheid van die Pesters of de betere duiven, ik weet het niet, daar ik door een stommiteit (mist) tweederde van mijn duiven ben verloren in die periode. De heropbouw was moeizaam.

Dat deze duif iets meer volharding vraagt van de liefhebber is voor mij duidelijk gezien zijn “wilde” voorkomen. Het herkennen en selecteren is ook een hele opgaaf.

Laat mij stellen dat de Stralsunder niet eenvoudig zijn geheimen (kwaliteiten) prijsgeeft en enige volhouding van de liefhebber vereist is.
 

Carlo

 

 

De Stralsunder hoogvlieger

 

De Stralsunder hoogvlieger is een oud Duits hoogvliegras, in de eerste helft van de 19e eeuw door kruising van rassen ontstaan in de stad Stralsund.

 

Het ras verwierf grote aanhang door zijn hoogvlucht, temperamentvolle vliegstijl en uithoudingsvermogen. Vanwege deze bijzondere vliegprestaties werd het een veel gehouden vliegras in Stralsund en Pommeren en verspreidde zich daarna naar alle delen van Duitsland en naar het buitenland.

 

 

Ontwikkelingsfasen:

1835: Eerste schriftelijke vermelding (13). De Stralsunder is bijna uitsluitend vliegduif met aandacht voor de prestatie criteria (vlieghoogte, vliegduur en vliegstijl) en is bijna niet te zien op tentoonstellingen. Op zijn type werd weinig gelet. Er waren in die tijd, behalve op gebied van kleur, meerdere typen/fokstammen Stralsunders, allen uitmuntende hoogvliegers.

1906: Stichting van de speciaalclub en eerste standaardbeschrijving van de Stralsunder. Begin van de ontwikkeling als tentoonstellingsduif. Alles moest langer, slanker, hoekiger en hogergesteld. Dit doel kon alleen bereikt worden door inkruising van (meerdere) langsnavelige rassen. Steeds meer vliegduivenliefhebbers kiezen in het begin van de twintigste eeuw voor showduiven en daarmee voor de criteria die de standaard stelt voor het uiterlijk. Toch stelt de club zich eveneens de opgave de raseigen vliegeigenschappen van de Stralsunder hoogvlieger te behouden en verder te ontwikkelen en worden de fokkers door de organisatie van vliegwedstrijden aangespoord de duiven ijverig te ´jagen´. (De club zag blijkbaar niet in dat een selectie voor vlucht en voor tentoonstellen in een en dezelfde stam niet haalbaar is).

Tussen 1925 en 1928 kende de speciaalclub een schisma in fokkers van het vliegtype en fokkers van het tentoonstellingstype. De balans was doorgeslagen naar het tentoonstellingstype, maar het vliegtype bestond nog. Het was voor het ras een periode van bloei.

In 1946 herbegonnen de Oost en West speciaalclubs - door de gedwongen splitsing van Duitsland – met de opbouw van het ras met het geringe aantal duiven dat de oorlog hadden overleefd (in Duitsland Oost+West: 50 kweekparen, 7 'oude' en 10 'nieuwe' liefhebbers). Onbekend is of er na de oorlog nog liefhebbers zijn, die de Stralsunder voor het vliegen houden.

1970 tweede bloeiperiode van de tentoonstellings Stralsunder. Het vliegtype wordt nog slechts door (een) zeldzame idealist(en) gehouden.

In 1975 nemen Stralsunders voor het eerst deel aan de officiële hoogvliegwedstrijden van de DHC. Heinz Bußmann, voor wie inkruisen taboe is (19), neemt met 10 duiven deel aan de  wedstrijd, maar de vogels blijven op 'untere Höhe'. Bijlage, tabel met vliegresultaten.

1980 Fritz Kircheis begint met de opbouw van zijn stam vlieg Stralsunders.

 

Citaat Joachim Schütte:

‘De Stralsunders waren vroeger, nog tot het begin van de Tweede Wereldoorlog, de beste hoogvliegers van Duitsland, die in het hoogvliegen en temperament de Weners achter zich lieten. Nu was het echter niet zo, dat deze levendige vliegers urenlang in de lucht waren. Een goede temperamentvolle vlucht kan maar zo’n twee uren volgehouden worden.’

 

J.JUNGNICKEL (13), zelf een ervaren Duitse fokker van hoogvlieg Tipplers die geregeld op de uitslag van de DFU verschijnt, denkt dat er een link is tussen dit temperament en hun vlieglust en hun vliegvermogen. Hoe sterk deze band is zal moeilijk te doorgronden zijn, zeker nu dat het eens zo vliegbekwame ras bijna niet meer deelneemt aan wedstrijdvluchten.

Toch blijft hij gefascineerd door de beschrijvingen van de vlucht van de Stralsunder hoogvlieger: Een hele ervaring is een dergelijke vlucht die in de kortste keren rasant in bijna onzichtbare flimmerhoogte opstijgt. Het kit neemt hierbij snelle horizontale wendingen met uitgestrekte vleugels: het zgn. ‘achten slagen’ of ‘kippen’is de typische vliegaard van dit ras. De vlucht is geen ver wegtrekken of een heen- en terugvliegen maar een rasante vlucht in een dubbele lus pal boven het hok. Een vliegstijl die zonder twijfel behoort tot de schoonste rariteiten in de hoogvliegsport….

Welke ras(-sen) aan de basis ligt van de oorspronkelijke Stralsunder hoogvlieger zijn belangrijke duivenkenners het niet eens. C. Spruyt (2) schreef in zijn boek ‘Tuimelaarsrassen’, dat onze zeevaarders begin 1800 vanuit Amsterdam grote aantallen Witte Hollandse Hoogvliegers, waarmee alleen maar de Hagenaar bedoeld kan zijn, naar havenplaatsen aan de Oostzee brachten. Het is een mooi verhaal, maar of het klopt? Joachim Schütte (15) schrijft in zijn boek ‘Handbuch der Taubenrassen’ dat Stralsunders van oorsprong zijn verwant met de Franse Cumulet, want hun voorouders kwamen vanuit Parijs via Keulen naar Stralsund. Bekend is dat de Stralsunder in Noord Duitsland gedurende de eerste helft van de 19e eeuw de naam had van Pariser Weiße, ‘Witte van Parijs’(16). Helian Guislain heeft zich verdiept in de oude duivenliteratuur en volgt de Duitse specialisten. Hij is dus ook van mening dat de Cumulet de stamouder van de Stralsunder is. Echter niet de Franse maar de Luikse Cumulet.

Zie verder de uitgebreide en boeiende toelichting van Helian, zie bijlage.

Bovengenoemde rassen zijn ongetwijfeld aan elkaar verwant, hoewel ze uiterlijk nu erg verschillen. Piepers van Stralsunders, Hagenaars en Cumulets hebben in het eerste verenpak enkele karakteristieke roodkleurige veertjes aan de hals, de kin en de grote slagpennen en dat hebben andere witte duivenrassen niet. Met de rui verdwijnt deze kleuring. Volwassen Stralsunders zijn (meestal) altijd  zuiver wit.

 

Citaat Helian Guislain:

‘De genetische opbouw van de witte kleurslag in de voornoemde vliegvogel-familie getuigt eveneens van de grote verwantschap. Al deze duiven zijn inderdaad genetisch niet 'wit' maar wel kleurgestorkt, waardoor de jonge piepers steeds rode/gele veertjes/schimmel vertonen aan de kin, de hals en de grote slagpennen. Het wit van kleurgestorkt is genetisch niet hetzelfde als het wit bij getekende vogels (bvb witpen/-staart), dat parelogen in vitsogen verandert zodra witte veertjes de oogrand bereiken. Het witgen (= schimmelfactorS) bij gestorkt verdringt de kleur op de vleugelschilden bvb naar de uiteinden, zoals, extreem, bij de Ooievaarsduif bvb. Bij de sierduif-rode kleurslag is deze verdringing maximaal, zodat spierwitte duiven ontstaan. Kruisingsexperimenten Cumulet*Belgische Tentoonstellingstuimelaar (sierduifgeel) wijzen uit (10) dat het witgen S bij gestorkt dominant is en bij volledig witte volwassen exemplaren steeds homozygoot (gelijke erfelijkheidsfactoren bezittend), ttz. voorkomend op de beide delen van het betreffende chromozoompaar. Naast sierduivenrood werd evenwel ook geslachtsgebonden postduivenrood ontdekt, wat o.m. bewerkstelligt dat heterozygote gestorkte volwassen exemplaren soms nog vuilrode/grauwe spatten vertonen in hun veerkleed.

 

Er waren meerdere typen. Rudolf Ortlepp van Magdeburg kende (13) op het einde van de 19e eeuw al minstens vier verschillende 'stammen' witte vlieg Stralsunders met de meest uiteenlopende uiterlijke kenmerken: voetbevederd, met kromme halzen en geknepen, ronde of hoekige schedels, bleke en rode oogranden. Deze stammen werden genoemd naar de familienaam van de meest vooraanstaande Stralsunder fokkers: Bombach, Havelock, Selchov, Hevernick en anderen, met volgens de berichten, zeer goede vliegeigenschappen. Het is dus duidelijk dat de Noord-Duitse sportfokkers reeds lang voor de 'tentoonstelling-modernisering' duchtig allerlei andere vliegduiven in hun Pariser Weiße hadden ingekruist.

Het is precies om aan deze verwarring een einde te maken dat op 01-01-1906  officieel de ‘Club van fokkers van de Stralsunder hoogvlieger’ in het leven geroepen werd. De motivatie verduidelijkt dat de Stralsunder hoogvlieger, dankzij zijn gemakkelijke kweek, zijn schoonheid en zijn briljante vlieglust, tot de meest verbreide rassen behoort, terwijl er betreffende raskenmerken en –karakteristieken de onduidelijkste en meest tegenstrijdige concepten heersen, zodat het ras op tentoonstellingen vaak stiefmoederlijk wordt behandeld en door diverse keurders zeer verschillend wordt beoordeeld en gewaardeerd. Hieraan wil de vereniging verhelpen. Toch stelt de club zich eveneens en niet in laatste instantie als opgave de ras eigen vliegeigenschappen van de Stralsunder hoogvlieger te behouden en verder te ontwikkelen, en worden de fokkers door de organisatie van vliegwedstrijden aangemoedigd en aangespoord de duiven ijverig te ‘jagen’. 

 

Door de club werd besloten dat de Stralsunder omgevormd moest worden tot een type van langsnavelige hoogvlieger.

De eerste standaard van de speciaalclub beschreef een slanke hooggestelde en dunhalsige Stralsunder, met als bijzonder kenmerk een markante hoekige kop met een lang gezicht, bij een horizontale stand.

Het doel, om maar zo dicht mogelijk de standaard te benaderen, kon uiteraard alleen bereikt worden door vreemde rassen in te kruisen, maar vaak werden hiervoor (helaas) weinig vlieglustige rassen gekozen. Door inkruising van o.a. Eksterduiven en Berliner Langen is het type veranderd cq markanter geworden, maar hebben de showdieren hun vliegvaardigheid en vliegdrift verloren. Steeds meer werd de vlieg Stralsunder een tentoonstellingsduif.

Het vliegtype wordt al vanaf de Eerste Wereldoorlog nog slechts door een klein aantal idealisten gehouden. Na de Tweede Wereldoorlog waren er geen Stralsunders meer met een goed potentieel.

In het bijzonder door de langdurige inzet van Fritz Kircheis in Duitsland (voor hem heeft Heinz Bussmann met Stralsunders gevlogen, maar is er niet mee door gegaan) bestaan er gelukkig weer vliegbekwame Stralsunders. Van 1980 tot 2006 heeft hij zich ingezet om de Stralsunder weer in de lucht te krijgen.

 

Citaat van Helian Guislain:

In Duitsland wordt achter de hand gefluisterd dat F.Kircheis voor de 'verrijzenis' van deze vliegvogel Wener Hoogvliegers heeft ingekruist. Vermits Kircheis  zelf daarover de lippen stijf op elkaar houdt, hebben we er het raden naar. Inkruising is mogelijk zoniet waarschijnlijk, maar dan eerder van vlieg-Cumulets (die tot het begin van de 21e eeuw  in Duitsland blijkbaar  'verdwenen' waren, maar nog voortbestonden in Engeland en in Zweden-Denemarken), dan van Wener Hoogvliegers die naast een afwijkende type, dominante rasvreemde (type- en kleur)genen in het ras zouden ingesluisd hebben, terwijl de Cumulet (een van) de stamouder van de Stralsunder is (zie bijlage).  Inkruising is meestal noodzakelijk omdat er anders vaak helemaal niks te selecteren valt. Het is een raadsel hoe tentoonstellingsfokkers er bijna altijd in gelukt zijn door hun selectie op esthetiek, en vaak ook inkruising van vreemde vliegonbekwame rassen, de genen voor "vlieglust"  van het oorspronkelijk vliegras op non-actief te zetten. Tentoonstellingsvogels zijn meestal niet meer in de lucht te krijgen, noch door opjagen, noch door samen te lossen met vlieglustige rassen, laat staan gaan 'lappen', zoals dat in België wordt gezegd. Om aan dit euvel te verhelpen hebben de Deense liefhebbers in 1980 moeten teruggrijpen (18) op de laatste restanten van het 'oud (1910) model' van de Oud-Deense Tuimelaar die ze nog hier en daar als opbrengstduif hebben gevonden op boerenhoven. Het is onwaarschijnlijk dat in 1980 dergelijke 'restanten' van Vlieg- Stralsunder (een stadsvogel en zeker geen opbrengst-duif) bestonden, anders zouden deze fokkers samen enthousiast op de kar van Fritz Kircheis gesprongen zijn. Quod non.’

 

Hermann Wolf (D.) schrijft mij in december 2007:

Ich habe noch ein paar Informationen für dich über die Stralsunder Hochflieger.

Mein Taubenfreund Wilhelm Schulze sagte mir das Fritz Kircheis noch lebt. Sein Stamm wurde aufgeteilt und ist an verschiedene Sportfreunde abgegeben worden.Auch Fritz Kircheis hat Wiener in seine Stralsunder eingekreutzt.

Wilhelm kennt noch 2 Sportfreunde die die Stralsunder fliegen, einer hat Magdeburger und ein anderer Wiener eingekreutzt er selber hat es auch mit Wiener probiert. Zufrieden ist aber keiner mit den Leistungen!

Beste Ben mach Bitte weiter so, es währe doch schön wenn sich durch deinen Bericht Taubenfreunde angesprochen fühlen und es mal mit den Stralsunder Hochflieger versuchen.

 

Na lezing van bovenstaande tekst is Helian Guislain van mening dat men toch nog een poging van inkruisen met de vlieg Cumulet zou kunnen ondernemen, voor ogen hebbende dat de vlieg-Cumulet ook nog de typische 8-ter-lus vliegfiguur aanhoudt, bij een redelijke ('mittlere') hoogte. Indien men typematig het verschil tussen een actuele vlieg-Stralsunder en een aktuele vlieg-Cumulet wil overbruggen gaat het hoofdzakelijk om de volgende kenmerken:

Oogranden (vuurrode versus bleke)

Bevedering (extreem hard en krap versus zacht)

Lengte van hals en benen (zeer lang versus eerder middelmatig)

Lichaamshouding (horizontaal versus opgericht)

Koplijn (extreem hoekig versus eerder goed afgerond)

 

Waarschijnlijk is dhr. Kircheis bij de opbouw van zijn stam vliegers moeten beginnen met tentoonstellings Stalsunders, simpel omdat er in 1980 geen vlieg Stralsunders meer waren doordat het vroegere vliegpotentieel al eerder was vernietigd.

Door inkruising van Weners (bron: Wilhelm Schulze) en jaar na jaar consequent en streng selecteren op vliegprestatie is het hem niettemin gelukt weer een vliegstam op te bouwen – ook al is nog niemand over de prestaties tevreden - die bij vliegwedstrijden in Duitsland worden beoordeeld.

 

Om meerdere redenen is het geen makkelijk ras.

Zoals uit bovenstaande blijkt is het pionierswerk van dhr. Kircheis zeker niet af en moet voortgezet worden om hoogvlucht bekwame Stralsunders verder te verbeteren en te behouden. Verdere ontwikkeling vergt van de huidige en toekomstige liefhebbers veel vakbekwaamheid, tijd en veel geduld.

In de omgang is het een levendige, temperamentvolle duif die steeds op haar hoede is. Alleen liefhebbers met een zeer rustig karakter, die de schuwheid accepteren als een raseigenschap, zullen er mee om kunnen gaan. De uiterlijke verschijning is wat extreem en spreek je wel of niet aan.

De raskenmerken van de huidige vliegers zijn natuurlijk niet zo extreem of verfijnd als bij de showduiven. De vlieg Stralsunder zijn gespierde dieren en hebben evenals de showduif een slank uiterlijk met lange benen en lange hals met lange kop. De kantige kop is wat afgerond.

 

De Stralsunder is een troepvlieger. Minimale eisen zijn dat ze in de troep blijven, na het loslaten de hoogte opzoeken en in 8-ter lussen pal boven het hok vliegen (13).

De raseigen vroegere vliegstijl was met veel temperament en een vliegduur van een tot meerdere uren in de bovenhoogte.

De klassieke vliegstijl laten de huidige vliegende Stralsunders (nog) niet zien. Ik ben het met dhr. Schütte eens dat we (voorlopig) tevreden moeten zijn met dieren die nog niet zo hoog en zo lang en zo levendig vliegen.

Het is ook mogelijk dat veel vroegere schrijvers, door de liefde voor hun lievelingsras, wat overdreven hebben want én uren vliegen én onvoorstelbaar dynamisch gaat nooit lang samen. Duiven die langdurig kunnen vliegen hebben altijd een gelijkmatige vliegstijl met een rustige vleugelslag en zweefmomenten.

 

J SCHÜTTE (15) betreurt dat de actuele vliegkitten met 8 à 10 vogels veel te klein zijn om de vroegere  raseigen vliegstijl met temperament, vliegduur en vlieghoogte weer te evenaren. Vroeger joeg men kitten van 20 tot 30 vogels en voor de 2e wereldoorlog was in Berlijn een hotelier die een vlucht van 300 Stralsunders liet opvliegen…

 

Zowel in Nederland, België en ook Duitsland zijn er maar weinig liefhebbers van dit bijzondere vliegras. Bijgevoegd zijn een drietal namen en adressen van liefhebbers die vlieg Stralsunders houden.

 

Ook dit ras heeft bewezen dat selectie voor vlucht en voor tentoonstellen in een en dezelfde stam niet realistisch is. De vaak in artikelen beschreven onuitroeibare vlieglust van de Stralsunder is uiteraard grote onzin. Een beetje liefhebber weet dat slechts door te kweken met de beste vliegers en aanhoudend streng selecteren op vliegcriteria de vliegeigenschappen genetisch behouden blijven.

 

Ben Hafmans, Nuland, 10-01-2008

 

Voor meer informatie over de vlieg Stralsunder kun je contact opnemen met:

Jan Kroes, Korte Omgang 17, 8314 AC Bant, tel. 0527 - 261634 (Nederland)

Carlo Verbist, Locquetstraat 14, 2811 Hombeek, tel. 0032 - 15 415617 (België)

Siegmar Thorun, Anger Str. 4, 39179 Barleben tel: 03920360582 (Duitsland) Handy: 01773793775

 

 

 

 

 

Literatuurverwijzingen:

(1)   James LYELL, Fancy Pigeons, London, 3d.ed 1887.

(2)   C.A.M.SPRUYT, De Tuimelaarsrassen, Gouda 1935.

(3)   Harry G. WHEELER, Exhibition & Flying Pigeons, London 1978.

(4)   Wendell M. LEVI, The Pigeon, 1941-1969.

(5)   G.SMITH, How to fly and train Macclesfield Tipplers and High Flying Tumbler Pigeons,   

        Nottingham 2d ed. 1886.

(6)   Chambers Twentieth Century Dictionnary 1910.

(7)   F.DE BIST De Inlandsche Tuimelaar, Antwerpen 1913.

(8)   BOITARD & CORBIÉ, Les Pigeons de Volière et de Colmbier, Paris, 1824.

(9)   G.PRÜTZ, Illustriertes Mustertaubenbuch, Hamburg 1884.

(10) H.GUISLAIN, 2007.

(11) J.H. BEEKMAN, De Duivenvriend, De Bilt, ±1900.

(12) A. LAVALLE & M. LIETZE, Unsere Hausgeflügel, II Die Taubenrassen, Berlin, 1905.

(13) Ingolf JUNGNICKEL, Der Taubenfreund, 1992-1.

(14) C.A.M. SPRUYT, Raskenmerken, Gouda 1948.

(15) Joachim SCHÜTTE, Handbuch der Taubenrassen, Bottrop, 1973-1994.

(16) Edmund ZURTH, Unsere Tauben, Oertel&Spörere, ±1950.

(17) ATHENAEUS, Deipnosophistai, (Het Geleerdenmaal), ±200.

(18) Heine REIFSING, Gamle danske dueracer, 1998. (ISBN 87-90531-01-9)

(19) Heinz BUßMANN, Rassenerhalt, Selektion und Kreuzung! Die Rundschau, 2006-2, blz..8-9.

 

 

Officiële tabel met vliegresultaten van de Stralsunders van de Deutscher Hochflug Club (DHC):

 

Jaar    Fokker                       Punten           Vliegduur      index  aantal           

                                                                          Min                duiven                      

1975    H.Bußmann                   85                  81                 1,04     10

1978    R.Grünewald                 60                  60                 1,00     06

1985    F.Kircheis                   351                  86                 2,79     13

1989    F.Kircheis                   677                167                 4,05     12

1991    Merwald                        80                  80                  2,00     12

1995    F.Kircheis                   575                185                 3,10     15

1996    F.Kircheis                   343                165                 2,07     20

1998    S.Thorn                       280                   66                 2,64     14 (stam Kircheis)

1999    F.Kircheis                   651                173                 3,76     18

1999    F.Kircheis                   648                166                 3,90     13       

1999    K.Kötter                         63                  53                 1,18     12 (stam Kircheis)

2000    S.Thorn                       732                228                 3,35     19

2002    S.Thorn                       585                220                 2,65     23

2005    R.Ziegler                     725                155                 4,67     13

 

Copyright november 2004 © by Dieter Tödtemann /AC

 

Bijlage van Helian Guislain:

Over de oorsprong van het ras zijn belangrijke 'duivenkenners' en schrijvers van duivenboeken het niet eens. Met enig zoekwerk kan men evenwel deze knoop grotendeels ontwarren.

Het is inderdaad voor zowat iedereen evident dat de Stralsunder, de Pommerse Oogkleptuimelaar, de Hagenaar, de Keulse Tuimelaar, de Belgische Hoogvlieger en de Cumulet tot een en dezelfde grote familie vliegduiven behoren. De Engelse duivenkenner James Lyell (1) vernoemt in 1887 helemaal geen Engelse Cumulet, maar wijdt wel uit over de 'Continentale' Cumulet, waarbij alle voornoemde rassen onder een en dezelfde - nb. Engelse - benaming worden verenigd en voorgesteld als typematig behorende tot een soort. Dit ontkracht evenwel volledig de bewering van de Nederlander Spruyt (2) die in 1935 schrijft dat de Cumulet, 'Engels van oorsprong,  al meer dan 200 jaar  fokzuiver in Engeland zou doorgefokt geweest zijn'. De toenmalige secretaris van de National Pigeon Association, H.Wheeler (3) schrijft trouwens in 1978 dat de eerste Cumulets pas in de jaren 1870… in Engeland werden ingevoerd. Dit is eveneens het decennium waarin de eerste kruisingsexperimenten in Engeland werden uitgevoerd tussen Cumulets en Almond Tuimelaars om de nu wereldberoemde Vlieg-Tipplers in het leven te roepen (5). Interessant te noteren zijn de diverse namen die de Engelsen zelf aan het ras gaven, nl. Twerps, Bald Pate en tenslotte algemeen Cumulet.

Twerps (4) verwijst uiteraard naar de uitvoerhaven Antwerpen.

Bald Pate (5) is merkwaardig genoeg een letterlijke vertaling (6) van de Antwerpse volksnaam (7) van de Cumulet, namelijk Duiker, een langhalsige watervogel met spitssnavel waarvan sommige exemplaren zoals de Roodhalsduiker en de Parelduiker in de winter soms aan onze kusten verschijnen. Ge houdt het misschien niet voor mogelijk, maar ook in Frankrijk was er toen (8) een soort voetbevederde duiven die als Pigeon Patu Plongeur (= Voetbevederde Duiker) door het leven ging, en dat was geenszins een duikvluchtduif.

Cumulet tenslotte is een Waals dialectwoord voor het Franse 'culbute' ttz. 'tuimeling', wat slechts onderlijnt dat deze vliegvogel ooit ook tuimelaar was. En hierbij verwijzen we de uitleg van de cumulus-wolk (die alle duivenscribenten ijverig zonder enige referentie van elkaar afschrijven) hopelijk voorgoed naar het rijk der fabeltjes. Ook de Franse schrijvers Boitard & Corbié (8) erkennen deze hoogvlieger ('die zich onderscheidt door zijn hoge vlucht, waardoor hij niet zelden de prooi van stootvogels wordt maar toch zeer goed bruikbaar is als postduif…') reeds in 1824 als 'originaire de Liège', ttz. oorsprong: de Waalse stad Luik, maar noemen hem nog 'Pigeon Volans à cou rouge', ttz. Roodhals-Vliegduif. De tekening die deze heren maken van deze duif toont een vrij standaard 'tuimelaar-type'. Boitard zelf schrijft overigens dat hij geen onderscheid ziet tussen (hoog)vliegduiven/postduiven en tuimelaars die wellicht slechts 'variëteiten' zijn van eenzelfde soort. Achteraf bekeken: niet mis gezien! En al houdt J.Schütte (15) aan de Parijse oorsprong van de Cumulet, toch ligt de bakermat van dit ras duidelijk in België. Overigens was de 'Franse' naam van het ras in de 19e eeuw: Pigeon Monte-au Ciel (=Hemelbestijger), en waren het de Engelsen (1) die de naam Cumulet op het einde van die eeuw veralgemeenden.

 

Over het hoe en waarom van de 'verschijning' van deze witte Hoogvlieger in Luik kan men enkel hypothesen maken. Allen wijzen evenwel naar de roodgestorkte Weense Tuimelaar, waarvan de laatste vlieglustige exemplaren in het begin van de 20e eeuw  evenwel al in de tentoonstellingsfok uitgestorven waren (7). Tussen 1712 en 1794 was België overigens onder heerschappij van de Oostenrijkse Habsburgers, terwijl het Prinsbisdom Luik in de 17e en 18e eeuw geregeerd werd door 'clericale scheuten' van familie van de Hertog van Beieren. 

 

Het is geweten dat de Antwerpenaars in de eerste helft van de 19e eeuw de Cumulet intensief gekruist hebben met Luikse Smierels voor de opbouw van de Antwerpse Reisduif. Dit verklaart meteen waarom Spruyt (2) zich nog in 1935 kan verwonderen hoe de Engelsen het geklaard hebben, zonder inkruising van enige vreemde rassen, aan de Cumulet een 'moderne' afgeronde lange kop te fokken. De Duitse duivenkenner Prütz (9) weet ons overigens in 1884 te vertellen dat bij de Stralsunder Hoogvlieger (en nu komen we uiteindelijk aan doel) <de vleugels losjes aan het lichaam liggen, zoals bij een edele valk die het luchtruim kiest>, en <in vorm en houding heeft de duif enigszins  de allures van een slechtvalk>. Dit was duidelijk vóór de tijd dat men aan deze vogel lange, hoekige koppen, halzen en stelten fokte. En toch bleven deze twee zinnen tot aan de Tweede Wereldoorlog prijken in de tentoonstellingstandaard van de Stralsunder! Van type gesproken!

De koplijn van de aktuele Vlieg-Cumulets is niet perfect afgerond zoals gewenst door Spruyt (2), maar vertoont een heel lichte knik juist voor de ogen, zoals bij de Stralsunder, maar dan  veel minder uitgesproken

 

Welke van de bovengenoemde rassen kan nu als de 'oer-vogel' van deze familie kleurgestorkte vliegduiven beschouwd worden? Zeker niet de Belgische Hoogvlieger die een late tentoonstellingscreatie is (uit de laatste resten stammen Belgische vlieg Cumulets) van de eerste helft van de 20e eeuw. Ook niet de Witte Keulse Vliegtuimelaar, ontstaan op het einde van de 19e eeuw door import van witte vliegvogels via de Rijn 'omdat de Keulse Spfr. niet bereid waren de hoge sommen te betalen die men toen bedong voor 'echte' Belgische Reisduiven' (lees bvb dienaangaande een interessant ooggetuigenis (±1950) van een Duitse Spfr. in Rundblick, het contactblad van de Deutsche Flugtippler Union, 2006-4, blz.5), waarvan een vertaling verscheen in het BRK-Contactblad 2007-2, blz.22/23). Tenslotte is de Hagenaar met zijn forse kop met gewelfd voorhoofd (een kenmerk dat hij trouwens deelt met de Oud-Hollandse Tuimelaar) eerder ontypisch in de reeks. Het moet tevens onderlijnd worden dat een Witte Hollandse Vliegduif in het begin van de 19e eeuw slechts bekend (8/11) was als een zwaar voetbeverderde variëteit. Het is dus pas een latere aanwinst van de grote Europese familie kaalpotige witte Hoogvliegers, en men kan/moet zich afvragen waar Spruyt (2) het gehaald heeft dat de Hollandse matrozen toen massa’s witte duiven naar de Oostzee verscheepten (Opdrachtgevers? Contracten? Scheepsladingen? Rasnamen? Boeken?).

Van de Cumulet heeft men al eerder onderlijnd welke uitzonderlijke rol dit ras speelde in de ontwikkeling tussen 1820 en 1875 van de Belgische Reisduif. Het genoot dus zeker ook de interesse van alle Europese legerleidingen die in dezelfde periode de ontwikkeling van performante postduiven gepromoot hebben, zoals Willem de Zwijger destijds (1573/1574) bij de belegering van Orange, Haarlem en Leiden. (8 en14). Men kan dus aannemen dat de quotering van de Duitse specialisten Lavalle & Lietze (12) dat Danzig zijn witte hoogvliegers binnenhaalde toen de Fransen onder Napoleon de stad in 1807 bezetten, niet uit de lucht gegrepen is. Het is toch niet voor niets dat de Stralsunder in Noord Duitsland gedurende de eerste helft van de 19e eeuw de naam (16) van Pariser Weiße, ttz. <Witte van Parijs> droeg.

Het is trouwens een constante in de evolutie van de vliegduivenrassen dat nieuwigheden vaak opdoken in het zog van grotere invasielegers. Dat was het geval bij de belegering van de Atosberg door Darius in 494 BC (verschijning (17) van de eerste witte duif in Griekenland), tot en met de belegering van Wenen door de Ottomanen in 1683 (invoering van de factor schimmel/gestorkt (bvb. Zinganini…) naast 'betere' vliegvogels (1 & 18).

 

 

updated: 13/01/09